Benjamin Bratton is een theoreticus, wiens werk de filosofie, de kunst en het design omvat. Hij is hoogleraar beeldende kunst en directeur van het Centrum voor Design en Geopolitiek van de Universiteit van Californië in San Diego. Daarnaast is hij hoogleraar digitaal design op de European Graduate School in Saas-Fee, Zwitserland. Zijn onderzoek houdt zich bezig met de terreinen waar politieke en sociale theorie, het onderzoek naar nieuwe computergestuurde media en infrastructuur, en interdisciplinaire design-methodologieën elkaar ontmoeten. In zijn boek The Stack, dat in december dit jaar zal verschijnen bij MIT Press, ontwikkelt Benjamin Bratton een politiek perspectief op computergestuurde processen op planetaire schaal. Hij stelt voor dat we het enorme scala aan recente en opkomende digitale en digitaal ondersteunde technologieën beschouwen als aspecten van één enkel verschijnsel dat hij 'The Stack' noemt, verwijzend naar de gelaagde architectuur van bepaalde software- en hardware-systemen. The Stack, zo betoogt hij, heeft de kenmerken van een platform. Bratton bezocht Nederland om een keynote-speech te geven op het Sonic Acts Festival van 2015, waarvan het thema het Anthropoceen was, het huidige geologische tijdperk waarin mensen de voornaamste bron van geologische en biologische verandering zijn geworden. Op Sonic Acts concentreerde hij zich op een van de samenstellende lagen van de Stack: die van de Aarde. Bratton was uitgenodigd om naar Nederland te komen met steun van het International Visitors Programme van Het Nieuwe Instituut. Klaas Kuitenbrouwer, e-cultuurdeskundige van het Instituut, interviewde Bratton tijdens zijn bezoek, als onderdeel van het onderzoek voor de tentoonstelling “Garden of Machines”. Bratton zal dit jaar de Premsela-lezing voor Het Nieuwe Instituut verzorgen.

Benjamin Bratton geïnterviewd door Klaas Kuitenbrouwer, curator van “Garden of Machines”, 29 februari 2015

Wat is de Stack? Bestaat het al of is het een speculatief idee?


Allebei. Het is een benaming voor de toevallige megastructuur van computersystemen op wereldschaal en het is een manier om die megastructuur als één enkele meta-technologie te zien. In plaats van diverse soorten computersystemen, zoals smart grids, cloud computing, next generation interfaces, adresseringssytemen en robotische kunstmatige intelligentie te zien als een verzameling van uiteenlopende vormen van computersystemen, die allemaal uit zichzelf bewegen, kunnen we ze beschouwen als onderdelen van één grote, samengestelde infrastructuur, die qua vorm en inhoud niet zo heel anders is dan software-hardware stacks (zoals OSI of TCP-IP).
Er zijn modulaire lagen in de Stack, die allemaal hun specifieke rol spelen, en ieder daarvan is zowel onafhankelijk als onderling afhankelijk in relatie tot de andere lagen. Ik denk dat er waarde schuilt in het denken vanuit deze totaliteit, en dat dit de mogelijkheid zou openen deze infrastructuur te ontwerpen en te veranderen.

Dit is niet alleen een kwestie van techniek, want computersystemen zijn de vorm en de inhoud geworden met behulp waarvan we onze ideeën, economieën en culturen organiseren. Het is niet alleen de manier waarop besturen functioneert, het is het besturen zelf geworden.

Als de Stack niet ontworpen is, maar spontaan is ontstaan, en als het – zoals u beweert – het besturen zelf is, hoe kan het dan 'ontwerpbaar' zijn?

Het feit dat het onbedoeld is ontstaan betekent niet dat de manier waarop we erop moeten reageren ook van het toeval moet afhangen. Bovendien is de Stack ook niet zomaar uit de lucht komen vallen, hij is voortgekomen uit een reeks initiatieven die iets gecoördineerder blijken te zijn dan we ons hadden voorgesteld. Door het als een geheel te benaderen kunnen we iets bewuster met de toekomst ervan omgaan.

Als dit een enorm ingewikkelde entiteit is, en als dit het besturen zelf is, betekent dit dan dat we het niet kunnen overzien? Dit lijkt te impliceren dat we er middenin zitten, in plaats van dat we er van buitenaf tegenaan kijken. Hoe kunnen we er dan nog iets aan veranderen?



De manier waarop we dat kunnen aanpakken, de manier waarop design er van binnenuit op kan inwerken (want we zitten er middenin) is door het wel als één geheel te zien, maar het niet per se in één keer te willen ontwerpen. Je hoeft de oceaan niet te laten verdampen als je vooruit wil komen. Een deel van het principe van stack-systemen in het algemeen is dat alles wat op één laag werkzaam is kan worden vervangen door een volledig ander mechanisme, zolang het maar volgens bepaalde protocollen communiceert met de laag erboven en eronder. Stack-systemen zijn ontworpen om opnieuw ontworpen te worden. Het is als de paradox van het schip van Theseus. Ieder stukje hout of metaal van dit schip wordt in de loop der tijd vervangen, en toch blijft het hetzelfde schip, en neemt het metafysisch gezien dezelfde ruimte in. Dit is ook de manier waarop stack-systemen werken. De komende decennia kunnen bijna alle componenten van dit systeem vervangen worden, en toch zal het diagram intact blijven.

Een deel van de oorspronkelijke aanleiding voor het project van mijn boek is te kijken naar de manier waarop computersystemen op wereldschaal de politieke geografie van het Westfaalse statensysteem hebben ontwricht, ofwel de samenhang van de moderne natiestaat.

Dus in plaats van het vlak waarop de verdeling van de aarde zou werken te beschouwen als een soort horizontale laag, onderverdeeld in lussen op het land, zien we in feite dat de werkelijke tegenstelling van soevereiniteitsclaims er één is waarbij ze als het ware op elkaar zijn gestapeld. Het is een kwestie van meervoudige soevereiniteiten, waarvan sommige particulier van aard zijn, sommige publiek, en sommige uitgaan van de staat, maar andere van een ander soort platform of de markt. Ze beweren allemaal, bovenop elkaar geplaatst, volgens de eigen soevereine logica iets voor elkaar te kunnen krijgen, waardoor een zekere verticaliteit wordt geïmpliceerd. We moeten een conceptueel model zien te vinden waardoor die verticaliteit en die gelaagdheid begrepen kunnen worden. Niet als uitzondering op de regel, niet als een soort vrijruimte, maar als de nieuwe norm.

We moeten ermee om kunnen gaan alsof het de nieuwe norm is, zonder voortdurend geshockeerd te worden door de manier waarop het werkt. We moeten gebruik maken van de spanningen die deze bovenop elkaar gestapelde lagen feitelijk veroorzaken. The Stack fungeert niet alleen als een stuk technologie, maar ook als een stuk geografie: als een manier om jurisdicties en soevereiniteiten in kaart te brengen.

Betekent dit dat de Westfaalse staat niet langer de norm is? Of maakt hij deel uit van de nieuwe norm?

Dit is geen verhaal over de verdwijnende staat. Integendeel. Net zoals cloud-platforms als Google, Facebook en andere steeds meer diensten en functies beginnen te vervullen die voorheen door de staat werden verzorgd (denk aan cartografie, geld, wettelijke identiteit, wat zelfs kan leiden tot iets wat ik 'brand-patriottisme' noem), ontwikkelen de staten zelf zich tot cloud-platforms.

Waar zitten de spanningen dan?



Deze veranderingen verlopen niet altijd symmetrisch. Ze geven aanleiding tot meervoudige spanningen. We kunnen dit bijvoorbeeld zien in het conflict tussen Google en China. We kunnen het zien aan de manier waarop we niet weten hoe we betekenis kunnen geven aan de nieuwe surveillance-vermogens van staten, waardoor we geshockeerd worden door dat soort zaken. Je zou kunnen betogen dat de geschiedenis van staten een geschiedenis is van wat staten technologisch in staat zijn te zien op een willekeurig moment in de tijd. De cloud maakt het mogelijk dat staten dingen zien die ze eerder niet konden zien. En het hoeft geen verbazing te wekken dat ze die mogelijkheid met beide handen hebben aangegrepen. Dus als we naar de rol kijken van de cloud in China of de Verenigde Staten of waar dan ook, worden staten op veel manieren versterkt in plaats van verzwakt, maar wel op manieren die ervoor zorgen dat ze er heel anders uit komen te zien dan voorheen.



Delen van The Stack kunnen dus opnieuw worden ingericht – je kunt ze nieuwe dingen laten doen waar ze vroeger niet toe in staat waren. Maar op een bepaalde manier is het systeem stabiel: wat je ook vervangt, het zal altijd The Stack blijven...

Ja, je hoeft niet alles te vervangen om het in beweging te houden. Wat we zien is dat heel veel verschillende dingen op ieder willekeurig moment iedere willekeurige laag in bezit kunnen nemen. We kunnen zien hoe verschillende platforms ieder niet alleen een ander bedrijfsmodel kunnen hebben, maar ook een ander politiek model, wat de 'cloud polis' ook mag zijn. Facebook modelleert de 'cloud polis' op de reïficatie van het 'zichzelf tentoonstellen' van het subject. Google modelleert de polis op de rationalisering van informatiestructuren en de algoritmische rede. Apple modelleert de polis op de zachtaardige dictatuur van gladde, gesloten oppervlaktes. Amazon modelleert de 'cloud polis' op de versterking en de versnelling van de moleculaire flux – het gaat het object als het object van politieke kennis, niet om mensen. Dit zijn niet alleen allemaal verschillende bedrijfsmodellen, het zijn ook verschillende politieke modellen, en zij bezetten allemaal tegelijkertijd de 'cloud-laag'. Ieder van deze cloud-platforms optimaliseert zichzelf tegen de anderen, maar ze maken allemaal gebruik van dit grotere mechanisme, om toegang te verkrijgen tot de stadslaag, de adressenlaag en de gebruikerslaag, die op zichzelf niet tot hun domein behoren. Dat zijn niet de zaken waar zij zeggenschap over hebben, maar de reden dat ze zich met hun eigen laag kunnen bezighouden is dat al die andere lagen al voor hen openstaan.

U heeft het uitgebreid over de 'cloud-laag' en over de diverse actoren die die laag bezetten. Op 28 februari sprak u op Sonic Acts vooral over de aarde-laag. Kunt u in het kort nog even de diverse lagen van de Stack langsgaan?

Aarde-laag, 'cloud-laag', stadslaag, addressenlaag, interface-laag, gebruikerslaag. 
Je zou er zeven kunnen onderscheiden, maar ook negen, dit is alleen maar een schema.

De Stack is een enorm hongerige machine; zijn honger naar fossiele brandstoffen, naar energie en naar mineralen is enorm. Begrepen als één enkelvoudige, massief gedistribueerde machine is het de hongerigste machine die we ooit hebben gemaakt.

De aarde-laag is waar deze extractie, een terravorming van de aarde volgens de behoeften van deze machine plaatsvindt. Het hele ding functioneert doordat het erop vastzit en wordt gevoed door zijn relatie met de aarde. Dit is niet alleen de bron, in termen van waar het op chemisch niveau uit bestaat, het is ook het object van zijn voornaamste kennisobjecten. De aarde zelf is iets wat wordt gemeten, gemodelleerd, gerationaliseerd, onderzocht, gevisualiseerd en bestuurd. Dit is een van de eerste taken van de Stack, die tot een heleboel paradoxale en ironische situaties leidt. Niet de minste daarvan is de klimaatverandering: enerzijds heeft deze grote technologische transformatie van de aarde van de afgelopen honderdvijftig jaar, als geheel genomen, ons op de antropogene drempel van de zesde grote uitstervingsgolf doen belanden. Tegelijkertijd is het dankzij dit mechanisme van satellietsystemen, genetwerkte sensoren en oceanische metingen dat we überhaupt wéten dat dit gebeurt. Het vermogen om te meten en te modelleren, en om zelfs maar een idee te hebben van de realiteit van de klimaatverandering, bestaat omdat we over de instrumenten beschikken waarmee dit wordt gearticuleerd. Het is een slang die zijn eigen staart opeet. Dat is een van de paradoxen van de aarde-laag.

Iets anders wat ik in dit hoofdstuk behandel gaat over de manieren waarop dit betwiste jurisdicties en omstreden soevereiniteiten oplevert. Historisch gezien zou je kunnen betogen dat nieuwe jurisdicties zich aandienen als reactie op noodsituaties, of op z'n minst op abnormale, exceptionele situaties.

Als je naar een vereniging van eilandstaten kijkt, valt op dat alle lidstaten in de buurt van de evenaar liggen. Het zijn niet eens allemaal eilanden, maar hun gemeenschappelijke probleem in relatie tot de klimaatverandering bestaat uit het stijgende zeeniveau. Het feit dat ze deze gemeenschappelijke relatie onderhouden met de klimaatcrisis zorgt ervoor dat ze in deze vorm gezamenlijk naar buiten treden. Op dezelfde manier bestaan er ook coalities tussen Texas, Rusland en Noorwegen, olieproducerende landen, in wezen jurisdicties van de causale factoren. Rond de geologische veranderingen die zich voordoen in de aarde-laag kunnen we deze herschikkingen van belangen en heroriëntaties van verschillende soorten federaties ontwaren.

Dit is opnieuw een vraag over de mate waarin we de Stack als een metafoor, als een diagram, als een model of als een echte machine moeten zien. U lijkt iets te beschrijven wat lijkt op een informatie-ecologie, niet alleen als een metafoor, maar in de zin van de manier waarop ecologie werkt in de biologie, met een onderlinge afhankelijkheid van diverse systemen die allemaal verschillende niches innemen, inputs tot outputs verwerken, en hun eigen stabiliteit behouden in relatie tot de stabiliteit van andere systemen. Ik denk niet dat een ecologie ooit als een Stack is beschreven, maar de notie van de voedselketen lijkt enige gelijkenis te vertonen.

Ik denk dat ecologieën over het algemeen veel gecompliceerder zijn dan stack-systemen. Een deel van de manier waarop stack-systemen werken is in dit zeer reductieve, schetsmatige formaat, en het is deze reductiviteit die het mogelijk maakt dat het zeer flexibel is in termen van wat we ontwerpen. De gestapelde homeostase binnen een voortdurende verandering die je in ecologische systemen ziet is een ander model en een ander diagram.

Dus de Stack is geen cybernetisch idee?



Niet in de eerste plaats, maar er zijn manieren waarop je sommige vragen die voortkomen uit het Stack-idee kunt lezen met cybernetische vocabulaires die nuttig kunnen zijn. Er zijn manieren waarop technologieën die zijn begonnen als technologieën voor waarneming of meting of toezicht technologieën zijn geworden van design, transformatie of bestuur. Sommige dingen die sensoren waren zijn 'effectoren' geworden, in cybernetische zin. We zien dit de hele tijd gebeuren: de verandering van iets wat een sensor was in een 'effector', of van een kaart in een instrument. Dit is een van de kernideeën van de interfacelaag. Eén manier om de geschiedenis van de grafische gebruikersinterface te lezen met termen uit de geschiedenis van het diagram. Met diagrammen is er sprake van een reductieve synthese van informatie in een serie ruimtelijke en voorwaardelijke relaties. Het is een manier waarop een gebeurtenis of systeem of proces tot een beeld wordt gecondenseerd. Deze keten van betekenisgeving werkt één kant op; het diagram is een soort sensor. Een diagram is een manier waarop iets wat gebeurt in de wereld in een model wordt gevangen. Een ‘interface’ keert de keten van betekenisgeving om: door het diagram van de interface te manipuleren, kun je het ding dat het diagram vertegenwoordigt beïnvloeden. Het is misschien mogelijk de omstandigheden te identificeren waarin dit aanleiding kan geven tot een gestapelde homeostase. Dit is niet iets wat ik in het boek behandel, maar het zou kunnen.

Toch zou ik willen waarschuwen tegen het lezen van The Stack als een soort systeemtheorie. De beste manier om de Stack te begrijpen is als een soort platform. Niet alle platforms zijn stacks, maar alle stacks zijn wel platforms. Platforms moeten we niet alleen als een technisch model zien, maar ook als een institutioneel model. Er is wat over platforms te vinden in organisatieliteratuur en computerliteratuur, maar er is geen exacte operationele definitie van wat een platform is. Er zijn wel voorlopige definities, maar niets wat echt verklaart waarom Google een platform is en een stedelijk stratenpatroon ook, evenals een vierkoppig lichaam. Wat houdt dit allemaal bij elkaar? In het boek probeer ik een paar generieke eigenschappen van platforms te schetsen. Eén daarvan is dat een platform een reeks mechanismen is dat het ongerichte gebruik van deze mechanismen mogelijk maakt voor de productie van 'emergente' effecten, die van te voren, bij de initiatie van die mechanismen, niet bedoeld of gepland zijn. Een platform is een reeks strategische mogelijkheden. De manier waarop er een van te voren wordt ingericht zal op een bepaalde manier bepalen wat de mogelijkheden zijn. Op dezelfde manier dat Google de logica van het internet rond de rationalisering van informatie zal organiseren, zonder de inhoud van het internet te bepalen: Google creëert slechts het mechanisme waarmee ieder ander de inhoud van het internet kan maken. En door dat te doen worden er volgens mij twee soorten 'platformwaarde' geproduceerd. Er is een 'platform-gebruikswaarde', die ervoor zorgt dat de informatie die ik op het platform zet voor mij nuttiger is, omdat het op zo'n manier op het platform staat dat het gecirculeerd kan worden. Daarbij doet zich een stijging voor van de 'opportuniteitskosten' van het gebruik van ieder ander platform en een daling van de kosten van het blijven gebruiken van dat ene platform. En er is ook een 'platform-surpluswaarde', die inhoudt dat het platform meer waarde aan de informatie onttrekt die daar wordt neergezet. Er is nog veel meer te zeggen over platforms, maar een van de neveneffecten van het gebruik van dit model is naar ik hoop een meer specifieke en empirische theorie van platforms als zodanig. Er bestaat veel verwarring over hoe we onnodig tot stand gekomen planetaire computersystemen kunnen besturen, door er via een binaire matrix van staat versus markt, of publiek versus privaat, tegenaan te kijken. Zoals in het voorbeeld: 'Hoe kan het dat de staat deze particuliere actoren moet besturen?' Ik denk dat door te begrijpen hoe staten en markten allebei op een bepaalde manier als platforms fungeren, de echte vragen (die niet makkelijker zijn) over wat de politieke status van de gebruiker is in relatie tot het platform eindelijk kan worden geconfigureerd. Staten hebben burgers, markten hebben consumenten, en platforms hebben gebruikers. En wat de ethische verantwoordelijkheid is jegens en van gebruikers en platforms, is iets waarvoor we nog geen goede taal hebben.

Zou u zeggen dat de markt en de staat als platforms fungeren?

Dat kan, maar dat hoeft niet. Er zijn manieren waarop markten functioneren in andere dingen die geen platforms zijn, en staten ook. Waar ik op probeer te wijzen is dat ze dat op bepaalde manieren doen, en dat dit onze aandacht verdient. Het lijkt erop dat de interface de plek is waar de politiek van een platform wordt gevormd. De interface geeft structuur aan de potentialiteit van het platform, zowel naar het platform zelf toe als naar de gebruiker.

Laten we de GUI [grafische user-interface] als generiek startpunt nemen. Als een interface nuttig of werkbaar wil zijn, moet hij worden teruggebracht tot een reeks zaken die participatie op het niveau van het gebaar mogelijk maken, in plaats van het geheel te conceptualiseren. Dit is onvermijdelijk een soort ideologische reductie van wat die mogelijkheden zijn. De mate waarin wij ‘gecultureerd' raken in de specifieke ruimte van die reductie is wat ik een 'interface-regime' noem. We komen in de loop der tijd misschien met meerdere interface-regimes in aanraking. Ieder daarvan beschrijft de rest van het geheel aan ons op een specifieke wijze. Zij hebben een narratieve logica, zij hebben een waarde-propositie, maar het zijn ook instrumenten waarmee deze logica kan worden geïnstantieerd. Het is een waardesysteem en als je dat gebruikt, versterkt het zichzelf materieel. Maar de interface is ook de manier waarop de rest van de Stack de gebruiker ziet.

In uw Stack-model kan de gebruiker menselijk zijn, maar dat hoeft niet. Wie of wat is de gebruiker in de Stack?

Als we het over 'user-centred design' hebben, richten we ons op menselijke gebruikers. Alles wat de aanzet kan geven tot wat ik een 'kolom' noem, die alle lagen van de Stack kan activeren, kan een gebruiker zijn. Het is de moeite waard over de lagen na te denken alsof ze feitelijk serieel werken, waarbij een boodschap van de ene naar de andere gebruiker wordt verstuurd. De gebruiker zendt een boodschap naar de interface-laag, de adreslaag, helemaal omlaag naar de aardelaag, en dan naar de andere gebruiker door alle lagen van de Stack heen. Het is belangrijk te onthouden dat in de eenvoudige beweging van een boodschap van de ene naar de andere gebruiker het hele systeem in één keer betrokken is. Maar datgene wat deze kolommen in gang zet is de gebruiker. Dat kan een persoon zijn, maar ook een ultrasnel handelsalgoritme, een dier, een groente, een mineraal, een zelfsturende auto, wat dan ook. We zien dat het grootste gedeelte van het verkeer op het internet al niet-menselijk van aard is. Deze participatie binnen de ruimte van de Stack, met andere machine-achtige, dierlijke of algoritmische 'mede-bewoners', zal voor ons een van de moeilijkste filosofische uitdagingen zijn om mee om te gaan. Dit is geen radicaal kosmolitisme, of het diepgaande universele stemrecht in de zin van Latour, of een Parliament of Things (Parlement der Dingen), want het is geen parlement, het is een machine. Het is geen filosofisch inzicht; het is mechanische participatie. Het gaat niet over de overdracht van een soevereine wil via vertegenwoordigende mechanismen, waarbij een of ander transparant 'meerderheidsresultaat' het systeem als geheel aanstuurt – zo werkt het systeem niet. Maar het zal een groot probleem zijn om met de zeer op toeval berustende status van de menselijke gebruiker in relatie tot andere gebruikers om te gaan. Ik voorzie een hele reeks verschillende varianten van humanistisch fundamentalisme die hier in de loop van het komende decennium tegen in verzet komen.

Dit is één van de manieren waarop het inzicht in het platform als een derde organisatorisch principe, naast de markt en de staat, heel urgent aan het worden is, omdat we anders gebruikers louter als consumenten of burgers kunnen zien, terwijl zij ook heel andere dingen zouden kunnen zijn.

Precies. En het soort gesprekken dat we voeren over de status van de gebruiker, naar aanleiding van Wikileaks enz., probeert het atomische, gedesoriënteerde individu nieuwe wapens in handen te geven tegenover het staatsapparaat. Maar ik denk dat de mogelijkheid voor de gebruiker om te ontsnappen aan deze onderworpen positie niet zozeer gelegen is in de individuele terugtrekking hieruit, dankzij een op het Second Amendment gebaseerde herbewaping via encryptie en privacy, maar eerder in een vermenigvuldiging van de gebruikersposities.

Eén van de reële problemen van het ontwerpen van interfaces is dat het ervan uitgaat dat een interface telkens door één gebruiker tegelijkertijd wordt gebruikt. Mensen worden gezien als individuele gebruikers, maar in feite werken we via deze mechanismen op verschillende manieren samen, en als we interfaces zouden ontwerpen voor deze gedistribueerde, op samenwerking geënte gebruikersposities zouden we misschien iets kunnen bereiken. Het voorbeeld dat ik hanteer is dat van de 'proxy-users'. Als je een systeem van 'proxy-users' hebt, bevindt de gebruiker zich op een bepaalde locatie, maar denkt de interface dat hij of zij ergens anders is. De gebruiker is niet gekoppeld aan de persoon. Je zou ook twee gebruikers kunnen hebben die feitelijk één persoon zijn. Het doet er op een gegeven moment bijna niet meer toe of je weet als welke 'samengestelde gebruiker' je aan iets deelneemt, net zomin als het voor de bacteriën in je lichaam nodig is om te weten wat het nummer van je rijbewijs is.

De vraag hoe we de parameters kunnen definiëren en de vormen van de verschillende soorten gebruikersposities kunnen afbakenen waarin wij ons in de loop van de tijd begeven is interessant. Met andere woorden: als we conceptueel het idee van de 'agency' (de wil om te handelen) en politieke verantwoordelijkheden en rechten van de gebruiker kunnen scheiden van die van het individuele menselijke organisme, en die niet langer beschouwen als elkaar isomorfologisch kopiërend, kunnen we een veel beter gesprek hebben. Niet omdat dat 'goed' zou zijn, maar omdat het ons op z'n minst zou helpen grip te krijgen op het punt waarop we nu zijn aangeland.

Dat zou een veel duidelijker afbakening opleveren van de menselijke positie versus die van machines en organische wezens, of van de samenwerking daarmee.

Dit zijn uiteindelijk allemaal 'cyborg'-posities in de zin van Donna Harroway.

Veel mensen denken dat de menselijke 'agency' (de wil om te handelen) nog steeds de enige is die bestaat, ook al beginnen velen gewend te raken aan het idee van machines die een wil om te handelen hebben: er is immers zoiets als kunstmatige intelligentie, en er zijn robots.

Maar die worden nog steeds voorgesteld als virtuele vormen van 'agency' en afgezet tegen de 'echt' menselijke vormen daarvan.

De gebruikerslaag in de Stack staat open voor veel verschillende soorten 'agency'. Zou u kunnen uitweiden over niet-menselijke en niet op machines gebaseerde vormen van 'agency' in de gebruikerslaag van de Stack? Is het denkbaar dat bijvoorbeeld ijsbergen, wolken, dieren of planten een soort 'user agency' ontwikkelen die verder gaat dan dat ze gewoon 'gelezen' worden?

Ja, ik denk dat het mogelijk is hier op een paar verschillende manieren over na te denken. Net zoals er geen helder verschil is tussen een menselijke gebruiker en een machine, of tussen een fysieke machine en een algoritmische machine, is er ook niet per se sprake van een heel heldere scheiding tussen het groente-phylum en andere soorten gebruikers. Dit soort cyborg-achtige samenstellingen kunnen voorkomen bij planten en bijen, en bij rivieren en ijsbergen, net zo goed als bij ons. Er is een aantal manieren waarop je hierover kunt nadenken. Eén is dat de communicatievormen die plaatsvinden in een complexe, gelokaliseerde omgeving al veel dichter en rijker zijn dan die we op dit moment kunnen modelleren. Alles praat voortdurend met al het andere.

Het is dus geen zaak van het in de situatie introduceren van informatiestromen als zodanig. Maar je zou een paar van deze informatiestromen kunnen 'prosthetiseren', zodat iets wat in één positie werkzaam is informatie kan waarnemen of activeren, of eraan deelnemen, op een manier die anders is dan normaliter in zijn of haar vermogen ligt. Hierdoor kunnen de gestapelde lagen van homeostase die in een bepaalde situatie optreden veranderen. Dus ja: zoiets zien we bij de 'prosthetisering' en het tot cyborg maken van planten, bloemen en bijen. 'Geo-engineering' op biotechnologisch niveau. Voor een andere manier om na te denken over de ontwerpruimte die hiermee verband houdt, is het de moeite waard om naar de adreslaag te gaan. Al wat het vermogen heeft aan dit systeem deel te nemen moet identificeerbaar zijn, moet een plek op de kaart hebben en een positie hebben van waaruit het kan spreken. Op het internet gaat dit grotendeels via het IPv4-addresseringssysteem. Dit heeft vrij goed gewerkt, maar er moest wel wat worden bijgebouwd, omdat de totale adresruimte ongeveer 4 miljard adressen omvat, minder dan één per mens op de aardbol. Dus in een echte, robuuste en alomtegenwoordige computeromgeving kan dit niet echt worden uitgebreid. IPv6 is de nieuwe variant, waarbij sprake is van een adresruimte van 128 bits, dus als je dat deelt door 7 miljard mensen, komt dit neer op grofweg 10 tot de 23e adressen per persoon. Dat is de Constante van Avogadro als het gaat om het aantal adressen per persoon.

Dus als je je hele leven lang zou blijven doorgaan met het distribueren van IP-adressen aan ieder ding waarmee je ooit in contact komt, zou je nooit door de beschikbare adressen heen raken. Je zit dan al bijna op het niveau van de moleculen waarmee je in contact komt. Maar als je dat aantal deelt door een groter aantal gebruikers - niet alleen 7 miljard mensen, maar ook alle individuele narcissen en bijen en insecten  – dan zou je een idee krijgen van de omstandigheden waaronder zo'n scenario (met niet-menselijke gebruikers) zou kunnen worden ontworpen.

Het internet-of-things-scenario gaat op dit moment nog steeds heel erg over hoe de tandenborstel met de koelkast praat. Het gaat heel erg over dingen die liggen binnen ons natuurlijke gevoel van wat de schaal van een object zou kunnen zijn. Maar als je deze talloze adresmogelijkheden hebt, kun je je voorstellen dat dingen op zeer uiteenlopende fysieke niveau's echt informatie met elkaar kunnen uitwisselen, op manieren die eerder niet mogelijk waren. Het is niet alleen dat er een conceptuele relatie tussen deze objecten zou kunnen bestaan; er zou ook sprake zijn van échte uitwisseling van informatie.

Iets met een omvang van 10 tot de min 9e meter zou dan informatie kunnen uitwisselen met iets in de orde van grootte van 10 tot de 9e meter. Wat zouden zij tegen elkaar zeggen? Dat weten we niet echt. Het is dit idee van een keten van informatie-uitwisseling tussen dingen van zeer uiteenlopende omvang, waar vroeger op z'n minst veel bemiddeling voor nodig was, en die anders totaal niet met elkaar zouden kunnen communiceren, die dit soort 'buitenaardse' communicatie mogelijk maakt die enorm opwindend is.

Er zijn manieren waarop je al deze natuurlijke processen als ietwat algoritmisch kunt gaan begrijpen, en op die manier zou je de Stack kunnen zien als een secondaire planetaire computer, bovenop de eerste. Misschien heeft dit meer te maken met de verstrengeling tussen synthetische en natuurlijke computersystemen die al gaande is.

De Stack als een manier om tussen verschillende niveau's te communiceren bestaat niet in de organische ecologie. Als dit aan de orde is, zal dat via de interface-laag gebeuren. Op het moment zijn interfaces vooral menselijk van origine en deels machine-achtige kunstvoorwerpen, bedoeld voor mensen en machines. Wat zouden in dit scenario de interfaces zijn waarlangs niet-menselijke, organische gebruikers zich er toegang toe zouden kunnen verschaffen?

Als de interface in de eerste plaats een kaart is van de ruimte der mogelijkheden, op zo'n manier geïnstrumentaliseerd dat als hij wordt gemanipuleerd hij in feite alles kan doen wat hij vertegenwoordigt, wat betekent dit dan voor een bij of een boom of een bos of een aardvarken? Ieder van deze schepselen voelt de wereld om zich heen al op de een of andere manier – ook al is het maar een teek op een takje dat hitte voelt; er is een manier waarop de wereld – of een deel van de wereld – 'voelbaar' voor hen wordt gemaakt.

Dit is precies de juiste vraag, die voortvloeit uit de implicaties van de Stack. Wat zou de spreektaal moeten zijn in interfaces die we kunnen gebruiken ten behoeve van deze niet-menselijke gebruikers om ze in dit systeem in te kunnen voeren, en wat zouden de omstandigheden zijn die hen in staat zouden stellen een ander regime van interfaces voor elkaar te creëren, voor te stellen en te optimaliseren, waar mensen niet per se in hoeven te participeren?


Het volgende wat je zou kunnen doen is het ontwikkelen van een archeologie van wat hiervoor de voor de hand liggende precedenten zouden kunnen zijn – als we die al kunnen herkennen, want misschien kunnen we dat wel niet.


Er is een parallel tussen de manier waarop de niet-menselijke gebruiker hier wordt besproken en de manier waarop dat gebeurt in Object Oriented Ontology (OOO) en het Speculatief Realisme, tegen de achtergrond van het Anthropoceen en het post-humanisme.
Maar ik zou hier een belangrijk onderscheid willen maken: wat OOO en het Speculatief Realisme aan de beschrijving van deze situatie kunnen bijdragen is vandaag de dag net zo waar als dat het een eeuw geleden was, of in 2015 vóór Christus – zij nemen een ontologisch standpunt in.

Maar ik houd hier geen ontologisch vertoog. Ik houd een vertoog over een technologisch mechanisme en een infrastructuur die een voorwaarde zouden kunnen scheppen voor instrumentele relaties waarin deze dingen op een zeer specifieke manier participeren - iets wat twintig jaar geleden onmogelijk zou zijn geweest, laat staan tweeduizend jaar geleden.


Dus laten we het functioneren van een specifiek systeem niet verwarren met een ontologisch vertoog dat net zo bijzonder of universeel kan zijn als jij het wilt maken.

Op Sonic Acts en bij andere gelegenheden bent u met de term 'het post-Anthropoceen' op de proppen gekomen. Verwijst die naar de gebruikerslaag in de Stack?

Dat zou kunnen. Of naar de omstandigheden waarin een post-Anthropoceen zijn opwachting zou kunnen maken...

Bedoelt u een periode waarin de mens is uitgestorven?

Niet per se, nee. Iemand zei gisteren op de conferentie: 'Je kunt niet ontsnappen aan het Anthropoceen.' Mijn antwoord is: Geologische tijdperken komen en gaan... Herinner je je de wandkaart op de basisschool, van het Devoon en het Krijt? Natuurlijk kun je er wél aan onsnappen, als je maar lang genoeg wacht. Als we aan de toekomst van het Anthropoceen denken, moeten we – voor zover dat mogelijk is – misschien even een stapje terug doen en nadenken over de voorwaarden waaronder bij dat niveau van de mens als geologische acteur iets anders mogelijk kan zijn. Het Anthropoceen heeft in ieder geval aangetoond dat 'geo-engineering' mogelijk is.

In een korte periode hebben we de hele planeet heel snel van aanzien doen veranderen. Dat het mogelijk is om dat te doen betekent nog niet dat het mogelijk is om dat doelbewust te doen, maar hoe dan ook, of we het nu willen of niet, en of we dat nu als een doelbewust pad zien of niet, we zullen daar in de nabije toekomst zeker mee doorgaan. Wat we op dit moment doen of laten zal altijd gevolgen hebben op het niveau van het 'geo-engineering'. Het is dus verstandig te gaan nadenken over de omstandigheden waaronder onze ontwerp-interventies binnen deze vraagstelling werken. Het enige wat we kunnen weten over het post-Anthropoceen is dat het wordt gedefinieerd door de omstandigheid dat mensen niet langer de dominante geologische factor vormen. Dat betekent misschien dat we zijn uitgestorven, of dat we iets anders zullen zijn geworden wat niet langer herkenbaar is als menselijk. Ons DNA zal blijven bestaan, maar de mens als soortelijk concept misschien niet. We weten het niet. Maar ik gebruik de term in de zin van 'Dit is wat we uiteindelijk willen bereiken'. Het post-anthropoceen moet worden gezien als doel, als een vage plek aan gene zijde van de bergen.

Dus u ziet het post-Anthropoceen niet als iets utopisch of dystopisch, of als iets wat op een specifieke manier van waarde is voorzien?

Het is een anti-Apocalyptische notie. Er is een overeenkomst met de manier waarop het Anthropoceen wordt ingeroepen in sommige eschatologische verhalen. Voor sommige mensen is dat wat zij leuk vinden aan het Anthropoceen. Die apocalyptische, einde-van-de-wereld-verhalen maken deel uit van de textuur van hun morele gemeenschap. Ik vind dat in wezen reactionaire, diepgaand conservatieve standpunten. Een manier om het verhaal van de apocalyps te ondergraven is eenvoudigweg de tijd te benoemen die erna komt, als iets wat gaat gebeuren, of je er nu wel of niet bij bent. Ik wis hun apocalyps uit, zodat ze moeten blijven doorgaan.

Het post-Anthropoceen is dus een soort retorische stellingname.

Als concept speelt het een grotere rol in het boek waar ik nu aan werk, over kunstmatige intelligentie, robotica, synthetische biologie en dat soort dingen. Want al die dingen trekken de status van de mens als geologische, biotechnologische en biopolitieke factor in twijfel, op manieren die in The Stack niet zo duidelijk aan de orde worden gesteld. The Stack is niet echt een betoog op het niveau van het millenarisme. Het gaat niet over de relatie van de mens tot de filosofie, het is politiek filosofisch werk.

Ik noemde het post-Anthropoceen ook omdat er vooral onder Californiërs een sterk geloof heerst in The Singularity als eschatologisch verhaal.

Wat net zo conservatief en reactionair is.

Maar dat is totaal het verhaal niet waarmee u werkt. Kunt u daar iets over zeggen?

Ik maak een sterk onderscheid tussen transhumanisme en post-humanisme. Dat heeft te maken met de manier waarop deze twee stromingen omgaan met de figuur van de mens. In de eenvoudigste zin is het transhumanisme een project dat gaat over de reïficatie en verbreding van de individuele mens als een zelfstandig en autonoom organisme dat zichzelf kan vernieuwen en uitbreiden. De 'X-Men'-lezing van Atlas Shrugged. Terwijl ik het post-humanisme beschouw als het potentieel dat zichtbaar wordt als de hedendaagse Copernicaanse trauma's, voortvloeiend uit de problemen die worden opgeroepen door technologieën als nanotech en biotech, worden begrepen als uitdagingen aan het adres van het concept van het menselijke dat de transhumanisten tot een fetisj maken. Het moeten juist de voorwaarden worden voor een alternatieve epistemologie die de specificiteit van het menselijk bewustzijn in een andere context plaatst. Ik zie die twee stromingen echt in diametraal tegengestelde richtingen werken.

Kortom: het transhumanisme is extreem antropocentrisch, en het post-humanisme niet.

Ja, het post-humanisme staat zeer wantrouwend tegenover antropocentrische uitgangspunten, terwijl dat bij het transhumanisme juist het hele verhaal is. Hoewel het absoluut waar is dat het menselijk denken en je eigen neuro-cognitieve toestand kunnen worden teruggebracht tot natuurkundige verschijnselen, betekent dit nog niet dat het eenvoudig is om het menselijk bewustzijn op een silicium-substraat te plaatsen, zoals de transhumanisten zo graag willen. Ik denk dat we kunnen veronderstellen dat het laatste wat de verandering van het medium van belichaming van een neuro-identiteitsnetwerk zou overleven ieder samenhangend idee van het ego en de identiteit zou zijn dat in het biologische lichaam bestaat. Het kan wel heel goed zijn om het te proberen, maar dan eerder omdat het de vroegere logica van de identiteit zou vernietigen, en juist niet omdat het die zou uitbreiden.

Hoe verhoudt het post-humane zich tot de gebruiker in de Stack?

Voor de positie van de gebruiker in de Stack is het nodig dat er een soort post-humaan epistemologisch raamwerk wordt gehanteerd, omdat we zin moeten geven aan onze omgang met de niet-menselijke acteurs waartoe dit door onszelf voortgebrachte mechanisme ons heeft veroordeeld. We zijn daar nu aan verwant en buren van op manieren waarop we dat eerder niet waren. De gebruiker is een technologische relatie die behoefte heeft aan het epistemologische raamwerk van het post-humane. Niet-menselijke gebruikers figureren niet per se in het post-humane domein, maar beiden zijn wel cyborg-achtig van aard. Deze zaken zijn allemaal met elkaar verweven; het is niet langer een situatie van dier versus groente versus machine-achtige wezens.

 

Vertaling: Menno Grootveld

Tuin van Machines
Klaas Kuitenbrouwer
Sascha Pohflepp, Arjen Mulder, Arne Hendriks
Wikke van Houwelingen, Roel Huisman
Rudy Guedj
Florentijn Boddendijk en Remco de Jong
Sedumworld BV, Dykstra Naval Architects, Nationaal Medisch Museum, VU Medisch Centrum, Natuurhistorisch Museum Rotterdam, Mediamatic, Florastore BV, Carolien Slottje, TU Delft, Vogelbescherming Nederland

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Jaarthema's en het dossier Wereldtentoonstellingen.

Het Nieuwe Instituut belicht het fenomeen van de Wereldtentoonstelling vanuit verschillende invalshoeken. In de tentoonstelling Tuin van Machines wordt gespeculeerd over een nieuw ecosysteem waarin natuurlijke en kunstmatige wezens samenleven.